aanbod van arbeid
(= beroepsbevolking) Personen tussen de 15 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd die willen en kunnen werken: zij bieden hun arbeid(skracht) aan op de arbeidsmarkt. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de geregistreerde werklozen.

abstracte markt
Het geheel van vraag en aanbod van een product. Een abstracte markt kun je niet lijfelijk bezoeken.

aftrekpost
Bedrag dat bij de berekening van het belastbaar inkomen in mindering mag worden gebracht op het brutoloon en waarover dus geen loonheffing betaald hoeft te worden.

algemene heffingskorting
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing voor iedereen.

arbeidskorting
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing voor iedereen die werkt.

bedrijfspensioen
Aanvullende uitkering (van een pensioenfonds) bovenop de AOW.

belastbaar inkomen
Bruto inkomen min aftrekposten.

beroepsbevolking
Personen tussen de 15 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd die willen en kunnen werken: zij bieden hun arbeid(skracht) aan op de arbeidsmarkt. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de geregistreerde werklozen.

boxenstelsel
Het belastingstelsel van Nederland dat uitgaat van drie boxen waarbinnen verschillende soorten inkomens vallen met ieder hun eigen heffingssysteem.

brutoloon
Het loon voor aftrek van belastingen en premies.

budgetonderzoek
Onderzoek naar de bestedingsgewoonten van een modaal gezin. Onderzoek naar het bestedingspatroon van (groepen van) consumenten.

collectieve arbeidsovereenkomst
(= cao) Een overeenkomst over de arbeidsvoorwaarden die gelden voor iedereen die in het bedrijf of in de bedrijfstak werkt. Overeenkomst tussen werkgever(sbonden) en georganiseerde werknemers (vakbonden) over de lonen en andere arbeidsvoorwaarden, die in de individuele arbeidsovereenkomst moet worden gerespecteerd. Deze overeenkomst wordt per bedrijf of bedrijfstak afgesloten.

concrete markt
Een markt waar je heen kunt om te handelen, bijvoorbeeld vismarkt.

consumentenprijsindexcijfer (CPI)
Maatstaf voor inflatie. De CPI geeft aan hoeveel procent de kosten van levensonderhoud in een jaar hoger zijn dan in het basisjaar.

denivellering
Het groter worden van de relatieve inkomensverschillen.

draagkrachtbeginsel
Hogere inkomens moeten in verhouding meer belasting betalen dan de lagere inkomens (de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten).

gemiddelde heffingsdruk
(= gemiddeld tarief) Loonheffing als percentage van het brutoloon. Inkomensheffing als percentage van het bruto inkomen.

heffingsbedrag
Het totaalbedrag van de heffingen.

heffingskorting
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing.

huur
Beloning voor de productiefactor kapitaal. Vergoeding voor of inkomen uit verhuur gebouwen of andere goederen.

inflatie
Het stijgen van de prijzen van goederen en diensten. Stijging van het algemeen prijsniveau. Stijging van het gemiddelde prijspeil.

inkomensheffing
Het bedrag dat je aan belasting en premie volksverzekeringen over je inkomen betaalt.

investeren
Het aanschaffen van kapitaalgoederen door een onderneming of bedrijf: het kopen van goederen of diensten om er verder mee te produceren.

kapitaal
De productiefactor kapitaal omvat de fabrieken, machines, gereedschappen, grondstoffen en voorraden eindproduct die bij de productie worden ingezet. Men onderscheidt reëel kapitaal (= kapitaalgoederen) en geldkapitaal (= vermogen).

koopkracht
De hoeveelheid goederen die je met je inkomen (of een euro) kunt kopen. Reële waarde van het budget.

loon
Beloning voor geleverde arbeid: beloning voor de productiefactor arbeid.

loonbelasting
Directe belasting op het inkomen van een werknemer, die als voorheffing van de inkomstenbelasting wordt ingehouden op het brutoloon.

loonheffing
Het bedrag dat als voorheffing van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen wordt ingehouden op het brutoloon.

marginale heffingsdruk
(= marginaal tarief = marginale belastingdruk) Het percentage belasting dat je betaalt over extra verdiend inkomen, dus over je laatst verdiende euro.

menselijk kapitaal
(= human capital) De kennis en vaardigheden die werknemers bezitten en waarover een bedrijf kan beschikken. Het geheel aan kennis, ervaring en vaardigheden van een persoon of van de beroepsbevolking. De beroepsbevolking kun je als 'kapitaal' beschouwen waarin je kunt investeren door bijvoorbeeld bijscholing.

nettoloon
(= besteedbaar loon) Loon na aftrek van belastingen en sociale premies.

nivelleren
Het kleiner worden van de relatieve inkomensverschillen.

nivellering
Het kleiner worden van de relatieve inkomensverschillen.

nominaal loon
Het loon uitgedrukt in geld.

overdrachtsinkomen
Dat deel van het inkomen dat mensen krijgen zonder deelname aan het productieproces. Het bestaat uit de uitkeringen en subsidies/toeslagen. Overdrachtsinkomens zijn sociale uitkeringen die je ontvangt zonder een bijdrage te leveren aan de productie.

pacht
Vergoeding voor of inkomen uit het verhuren van grond, beloning voor de productiefactor natuur (grond).

premie volksverzekeringen
Het bedrag dat je (verplicht) betaalt aan de volksverzekeringen (AOW, Wlz, AKW en Anw)

primaire inkomens
Inkomens (loon, rente, huur, pacht en winst) die verdiend worden in het productieproces.

productiefactoren
De middelen waarmee wordt geproduceerd, namelijk arbeid, ondernemerschap, kapitaal(goederen) en natuur(lijke hulpbronnen).

progressief belastingstelsel
Een belastingstelsel waarbij het gemiddelde belastingpercentage stijgt als het inkomen toeneemt. Een belastingstelsel waarbij de hogere inkomens een hoger gemiddeld belastingpercentage betalen dan de lagere inkomens.

proportioneel belastingstelsel
Een belastingstelsel waarbij alle inkomens hetzelfde percentage belasting betalen. Het gemiddelde belastingpercentage is voor iedereen gelijk.

reëel loon
De koopkracht van het loon. De hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen. Het nominale loon gecorrigeerd voor inflatie.

rente
Vergoeding voor spaargeld of leengeld. De prijs van geld. De beloning die betaald moet worden voor het lenen van geld en die ontvangen wordt voor het uitlenen van geld. (= interest) Beloning voor de productiefactor kapitaal.

vermogensrendementsheffing
Heffing over het fictief rendement van het vermogen.

vlaktaks
Een belastingstelsel met slechts een belastingschijf, eventueel gecombineerd met een belastingvrije voet.

vraag naar arbeid
De totale vraag naar arbeidskrachten. De vraag naar arbeid bestaat uit de vraag naar werknemers, de vraag naar arbeidskracht van zelfstandigen en de vacatures.

wegingsfactoren
Geven aan welk deel van de totale uitgaven aan een bepaalde artikelgroep wordt uitgegeven

winst
Beloning voor ondernemerschap, vanwege het ondernemersrisico dat de ondernemer loopt. Het verschil tussen de totale opbrengst (TO) en de totale kosten (TK). Zie ook Totale Winst (TW)

*