aanbodkant van de economie
(= structurele kant van de economie) Alles wat te maken heeft met het produceren van goederen en diensten.

analytisch model
Economisch model waarmee beschreven wordt hoe de economische werkelijkheid in elkaar zit.

arbeidsaanbod
Personen tussen de 15 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd die willen en kunnen werken: zij bieden hun arbeid(skracht) aan op de arbeidsmarkt. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de geregistreerde werklozen.

arbeidsproductiviteit
De productie per persoon per tijdseenheid (bijvoorbeeld per uur of per arbeidsjaar).

arbeidsvraag
De hoeveelheid arbeid(skrachten) die de werkgevers gezamenlijk in dienst willen nemen. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de vacatures.

autonoom
(= autonome variabele) Een variabele waarvan de waarde niet wordt bepaald door andere grootheden in het model.

beleggen
Het aanbieden van geld op de vermogensmarkt met de bedoeling een opbrengst te verkrijgen. Overtollig geld vastleggen voor kortere of langere tijd met als doel in de toekomst financieel voordeel te behalen.

beslissingsmodel
Economisch model om te weten te komen op welke wijze de economie beïnvloed wordt door bepaalde maatregelen.

bestedingseffect van investeringen
(= inkomenseffect van investeringen) Investeringen maken deel uit van de (nationale) bestedingen en leiden tot productie en dus tot inkomen.

bestedingsevenwicht
De totale bestedingen in een land zijn gelijk aan de productiecapaciteit van dat land.

capaciteitseffect van investeringen
Uitbreidingsinvesteringen (toename van de vaste kapitaalgoederen) vergroten de productie-capaciteit.

conjunctuurmodel (vraagmodel)
Model dat de korte-termijnontwikkeling van de effectieve vraag beschrijft waarbij wordt verondersteld dat de productiecapaciteit gegeven en constant is. Wordt ook wel aangeduid met keynesiaans model.

definitievergelijking
Een vergelijking die binnen een model steeds geldt, bijvoorbeeld EV = C + I.

desinvestering
Een afname van de voorraad kapitaalgoederen.

economisch model
Een vereenvoudigde weergave van de econo-mische werkelijkheid.

endogeen
(= endogene variabele) Te verklaren grootheid in een model. Een endogene grootheid kan gein-duceerd of autonoom zijn.

evenwichtsinkomen
Nationaal inkomen waarbij de totale effectieve vraag gelijk is aan dat inkomen (en dus aan de productie).

ex ante
Voorgenomen.

ex post
Gerealiseerd (achteraf).

exogeen
(= exogene variabele) Verklarende grootheid in een model die de waarde van de endogene grootheden (mede) bepaalt. De waarde van de exogene groot¬heden wordt buiten het model bepaald en zijn in het kader van een bepaald model altijd gegeven.

gedragsvergelijking
Een vergelijking die het gedrag van de verschillende sectoren in een economie, zoals gezinnen en bedrijven, weergeeft.

gedwongen voorraadverandering
Het verschil tussen de vooraf geplande en de achteraf gerealiseerde investeringen.

geïnduceerde consumptie
Consumptieve besteding waarvan de waarde wordt bepaald door de waarde van andere grootheden binnen een model.

gemiddelde consumptiequote
(= C/Y) Het deel van het nationaal inkomen dat wordt geconsumeerd.

hoogconjunctuur
Periode waarin de bestedingen en productie relatief snel groeien. Periode waarin de groei van het nationaal inkomen hoger is dan de trendmatige groei. De macro-economische groei van de productie ligt boven het trendmatige niveau.

identiteit
Een noodzakelijke gelijkheid, die ook buiten een model geldt, bijvoorbeeld W = Y.

inkomenseffect van investeringen
(= bestedingseffect van investeringen) Investeringen maken deel uit van de (nationale) bestedingen en leiden tot productie en dus tot inkomen.

inkomensevenwicht
De totale vraag naar goederen is gelijk aan het nationaal inkomen.

investering in voorraden
Niet verkochte goederen bij bedrijven.

kapitaalproductiviteit
De productie per eenheid geïnvesteerd kapitaal per tijdseenheid.

knelpuntfactor
De schaarse productiefactor die volledige bezetting van de overige productiefactoren belemmert en die de feitelijke omvang van de productiecapaciteit bepaalt.

laagconjunctuur
Periode waarin de bestedingen en productie relatief langzaam groeien of afnemen. Periode waarin de groei van het nationaal inkomen lager is dan de trendmatige groei. De macro-economische groei van de productie ligt onder het trendmatige niveau.

marginale consumptiequote
Geeft aan welk deel van een extra verdiende euro wordt uitgegeven aan consumptie.

multiplier
(= inkomensvermenigvuldiger) Als door een extra besteding van de overheid van bijvoorbeeld € 10 miljard het bruto binnenlands product toeneemt met m × € 10 miljard, dan is m de multiplier.

multiplierwerking
Een stijging van de autonome bestedingen leidt tot een stijging van het nationale inkomen die een veelvoud is van de oorspronkelijke stijging van de autonome bestedingen. Dat komt omdat bestedingen leiden tot productie en dus tot inkomen waarbij dat inkomen weer tot nieuwe bestedingen leidt en zo verder.

onderbesteding
De totale bestedingen zijn kleiner dan de (normale bezetting van de) productiecapaciteit.

oplossingsvergelijking
Vergelijking waarbij een endogene grootheid is uitgedrukt in louter exogene en autonome grootheden. De oplossingsvergelijking wordt verkregen door een model in algemene gedaante op te lossen. De oplossingsvergelijking levert ook de multiplier(s) voor de desbetreffende endogene grootheid op.

overbesteding
De totale bestedingen zijn groter dan de (normale bezetting van de) productiecapaciteit.

particuliere sector
Alle bedrijven die geen eigendon zijn van de overheid.

spaarlek
Het deel van extra inkomen dat als gevolg van besparingen niet tot extra effectieve vraag leidt.

sparen
Het niet uitgeven van een deel van het inkomen. Het niet consumeren van een deel van het inkomen.

uitbreidingsinvesteringen
Investeringen in extra vaste kapitaalgoederen om zo meer te kunnen produceren.

voorraadafname
(= voorraadintering)Een daling van de voorraden. Wordt ook wel een gedwongen desinvestering genoemd.

voorraadgrootheid
Iets dat op een bepaald moment of tijdstip wordt gemeten, zoals het spaargeld dat je op 1 januari hebt.

voorspellend model
Een economisch model dat gebruikt wordt om te ramen hoe de economie de komende tijd zal verlopen.

*