actief geld
Geld dat door het publiek wordt gebruikt voor transacties.

bestedingsinflatie
Prijsstijging die ontstaat als de bestedingen groter worden dan de productiecapaciteit.

chartaal geld
Munten en bankbiljetten in handen van het publiek.

deflatie
Daling van het algemeen prijsniveau.

geldbeleid
(= monetair beleid) Beleid waarmee de centrale bank door gebruikmaking van haar instrumenten (o.a. renteaanpassingen) haar doel (prijsstabiliteit, eventueel banengroei) tracht te bereiken. Door een beperkte groei van de liquiditeitenmassa stabiliseert de ECB de interne waarde van de euro (koopkracht in Eurozone).

geldhoeveelheid
Het chartale en girale geld in handen van het publiek.

geldmarkt
Deel van de vermogensmarkt waar kortlopende leningen worden verhandeld met een maximale looptijd van twee jaar. Hieronder vallen spaarrekeningen voor particulieren bij banken, het kopen op afbetaling enzovoort.

giraal geld
Geld van mensen op een rekening bij de bank waarover zij direct kunnen beschikken. Tegoeden van klanten bij banken in de vorm van een betaalrekening (rekening-couranttegoed). Je kunt op verschillende manieren giraal betalen: met een overschrijvingskaart, met een elektronische overschrijving, met een pinpas of met een creditcard.

hyperinflatie
Extreem hoge prijsstijgingen.

inactief geld
Opgepot geld. De omloopsnelheid is nul.

inflatie
Het stijgen van de prijzen van goederen en diensten. Stijging van het algemeen prijsniveau. Stijging van het gemiddelde prijspeil.

kapitaalmarkt
Deel van de vermogensmarkt waar langlopend en permanent vermogen wordt verhandeld.

kosteninflatie
Inflatie door het doorberekenen van hogere productiekosten in de prijzen.

krap-geldbeleid
Afremmen van de geldgroei door een verhoging van de refirente die de ECB aan de banken die bij haar geld lenen in rekening brengt. Hierdoor wordt lenen duurder en sparen aantrekkelijker.

kwantitatieve verruiming
Het opkopen van hypotheken en obligaties door de centrale bank van de algemene banken krijgen deze laatsten meer ruimte voor kredietverlening. Daardoor wordt het aanbod op de kapitaalmarkt vergroot.

liquide
Letterlijk: vloeibaar. Economisch: Iemand is liquide als hij/zij in staat is aan alle direct opeisbare betalingsverplichtingen te voldoen.

liquiditeitsval
(= liquidity trap) Situatie waarin de centrale bank niet in staat is met geldmarktbeleid de kredietverlening verder te verruimen, bijvoorbeeld omdat de geldmarktrente is aangeland bij de nulondergrens.

monetair beleid
(= geldbeleid) Beleid waarmee de centrale bank door gebruikmaking van haar instrumenten (renteaanpassing) haar doel (prijsstabiliteit, eventueel banengroei) tracht te bereiken. Beleid gericht op de beheersing van de geldhoeveelheid. Dit gebeurt met name door de rentestand te verhogen of verlagen.

neutraliteit van het geld
Op de lange termijn heeft een verandering van de geldhoeveelheid geen invloed op de groei van de reële productie (Yr).Dit komt omdat op de lange termijn de groei van de productie bepaald wordt door de groei van de productiecapaciteit (door de groei van de productiefactoren). Dus als de geldhoeveelheid stijgt, krijg je inflatie.

omloopsnelheid van het geld
Het aantal keer dat het geld van hand tot hand gaat in een periode.

openmarktpolitiek
De ECB (Europese Centrale Bank) kan de hoeveelheid dekkingsmiddelen van de banken beïnvloeden. De ECB opereert als vrager of aanbieder op de geld- of kapitaalmarkt.

oppotmiddel
Functie van geld: je kunt het bewaren.

oppotten
Geld bewaren zonder dat het iets oplevert (renteloos bewaren).

ruilmiddel
Goederen worden tegen geld geruild en dat geld wordt weer geruild tegen goederen (indirecte ruil). Functie van geld: je kunt ermee betalen.

ruim-geldbeleid
Beleid van de centrale bank gericht op een verruiming van de geldhoeveelheid. Dit gebeurt onder ander door een verlaging van de officiële, waardoor lenen goedkoper en sparen minder aantrekkelijker wordt.

transactievraag
De vraag naar actief geld.

verkeersvergelijking van Fisher
Een vergelijking waarmee de invloed van het geld op de economie op de korte en lange termijn kan worden geanalyseerd (M×V=P×Y). Een vergelijking die de geldstroom (M × V) gelijkstelt aan de goederenstroom (P × Yr).

zero lower bound
(= nulondergrens) De grens waarop de centrale banken stuiten bij het voeren van een ruim-geldbeleid via verlagingen van de geldmarktrente. Als de nominale rente nul is heeft een verdere verlaging geen zin omdat deze verlaging de reële rente niet verder omlaag brengt; bij een negatieve nominale rente is cash geld aanhouden aantrekkelijker is dan uitlenen, waardoor de kredietverlening stilvalt.

*