aandeel
Verhandelbaar bewijs van mede-eigendom van een onderneming. Als het bedrijf winst maakt, ontvangt de aandeelhouder dividend.

afremmend beleid
Beleid om de groei van de effectieve vraag af te remmen.

anticyclisch conjunctuurbeleid
Beleid van de overheid dat tegen de conjunctuurgolf ingaat om zo de conjunctuur-schommelingen te dempen. Als het slecht gaat met de economie dan stimuleert de overheid de economie door de belastingen te verlagen en/of de overheidsbestedingen te verhogen

arbeidsverdeling
(= arbeidsdeling) Het splitsen van het productieproces in kleinere onderdelen waardoor de arbeidsproductiviteit kan worden vergroot.

automatische conjunctuurstabilisatoren
Regelingen, zoals de sociale zekerheid en de belastingheffing, die tot gevolg hebben dat de conjunctuur vanzelf afzwakt, zonder dat daar beleid voor nodig is. Anders gezegd: mechanismen in het overheidsbeleid die vanzelf zorgen voor een vlakker verloop van de conjunctuur zoals sociale uitkeringen en progressieve belastingen.

bestedingsevenwicht
De totale bestedingen in een land zijn gelijk aan de productiecapaciteit van dat land.

beurskoers
Prijs van aandelen/obligaties op een bepaald moment op de effectenbeurs. Deze koers wordt bepaald door vraag en aanbod op de beurs.

bruto binnenlands product (bbp)
De toegevoegde waarde van alle bedrijven en de overheid bij elkaar opgeteld.

centrale bank
Bank van de banken, die monetair beleid uitvoert, toezicht uitoefent op financiële instellingen, voor de uitgifte van bankbiljetten zorgt en de deviezenvoorraad (voorraad internationale betaalmiddelen) beheert.

conjunctuur
(= conjunctuurcyclus) Schommelingen in het niveau van de bestedingen ten opzichte van de trendmatige groei. Anders gezegd: de golvende beweging in de tijd van de productie, veroorzaakt doordat de bestedingen afwisselend hoger en lager zijn dan de trendmatige beweging van de productiecapaciteit.

debiteurenrisico
De kans dat iemand aan wie geld is uitgeleend niet terugbetaalt.

deflatie
Daling van het algemeen prijsniveau.

dividend
Winstuitkering aan aandeelhouders van een nv of bv.

effectieve vraag
(= totale bestedingen) De vraag die leidt tot bestedingen. De totale vraag naar goederen en diensten door gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland.

eigen vermogen
Het door de eigenaren ingebrachte geld. Het eigen vermogen bestaat uit de waarde van de bezittingen van een persoon of bedrijf minus de schulden van die persoon of dat bedrijf.

geldillusie
Verschijnsel dat mensen de waarde van het geld verkeerd inschatten, bijvoorbeeld doordat ze alleen kijken naar de nominale waarde en geen rekening houden met prijsveranderingen.

geldmarkt
Deel van de vermogensmarkt waar kortlopende leningen worden verhandeld met een maximale looptijd van twee jaar. Hieronder vallen spaarrekeningen voor particulieren bij banken, het kopen op afbetaling enzovoort.

hefboomwerking
Verschijnsel dat over het vreemd vermogen winst of verlies wordt gemaakt waardoor het rendement over het eigen vermogen groter of kleiner wordt.

hoogconjunctuur
Periode waarin de bestedingen en productie relatief snel groeien. Periode waarin de groei van het nationaal inkomen hoger is dan de trendmatige groei. De macro-economische groei van de productie ligt boven het trendmatige niveau.

hypothecaire lening
(= hypotheeklening) Lening bij een bank met onroerend goed (huis of grond) als onderpand.

inflatie
Het stijgen van de prijzen van goederen en diensten. Stijging van het algemeen prijsniveau. Stijging van het gemiddelde prijspeil.

kapitaalmarkt
Deel van de vermogensmarkt waar langlopend en permanent vermogen wordt verhandeld.

laagconjunctuur
Periode waarin de bestedingen en productie relatief langzaam groeien of afnemen. Periode waarin de groei van het nationaal inkomen lager is dan de trendmatige groei. De macro-economische groei van de productie ligt onder het trendmatige niveau.

liquiditeit
(1) Het vermogen om op korte termijn zonder verlies aan de onmiddellijk en binnenkort opeisbare verplichtingen te voldoen (2) Betaalmiddel, geld Mate waarin aan direct opeisbare verplichtingen kan worden voldaan; een veelgebruikte maatstaf is: liquide middelen/direct opeisbare verplichtingen.

marktmechanisme
(= prijsmechanisme) De prijs en de verhandelde hoeveelheid van een product komt tot stand door het vrije spel van vraag en aanbod. Er wordt precies evenveel aangeboden als gevraagd.

obligatie
Verhandelbaar bewijs van deelneming in een geldlening aan bedrijven of de overheid met een vaste rente en vaste looptijd. Een schuldbekentenis voor een langlopende lening (looptijd van meer dan twee jaar) met een vaste rente.

onderbesteding
De totale bestedingen zijn kleiner dan de (normale bezetting van de) productiecapaciteit.

overbesteding
De totale bestedingen zijn groter dan de (normale bezetting van de) productiecapaciteit.

procyclisch conjunctuurbeleid
Beleid van de overheid dat de conjunctuurcyclus versterkt, zoals lagere overheidsbestedingen of belastingverhoging tijdens laagconjunctuur.

productiecapaciteit
De hoeveelheid goederen die een land of een bedrijf maximaal kan produceren in een periode (meestal een jaar).

recessie
afnemende economische groei beneden de trendmatige groei. Algemeen: een terugval in de economische groei. Officieel: een daling van twee kwartalen achter elkaar.

reële rente
De nominale rente gecorrigeerd voor de inflatie.

rendement
Opbrengst van het belegde vermogen in aandelen en obligaties, meestal uitgedrukt in procenten van het belegde vermogen.

selffulfilling prophecy
Een voorspelling op grond waarvan mensen zich zo gaan gedragen dat de voorspelling ook werkelijk uitkomt.

solvabiliteit
De verhouding tussen bezittingen en schulden. De mate waarin alle schulden (korte en lange termijn) kunnen worden terugbetaald; een veelgebruikte maatstaf: eigen vermogen/vreemd vermogen.

spaarquote
Het gedeelte van het inkomen dat wordt gespaard.

sparen
Het niet uitgeven van een deel van het inkomen. Het niet consumeren van een deel van het inkomen.

staatsschuldquote
(= overheidsschuldquote) De staatsschuld uitgedrukt als percentage van het bbp.

tijdsvoorkeur
De voorkeur van huidige consumptie boven toekomstige consumptie.

trend
(= trendmatige groei) Gemiddelde groei van de productiecapaciteit over een langere periode. De trend geeft de ontwikkeling van het bbp aan bij een gemiddelde groei.

vermogensmarkt
Het geheel van vraag naar en aanbod van geld. Het geheel van vraag naar en aanbod van vermogen zowel op korte termijn als op lange termijn. De vermogensmarkt bestaat uit een groot aantal deelmarkten. De meest gebruikelijke indeling is die in de geldmarkt en de kapitaalmarkt.

vreemd vermogen
Het door schuldeisers ingebrachte geld. Het vreemde vermogen bestaat uit de schulden (geleend geld) van een persoon of bedrijf. Vreemd vermogen moet worden terugbetaald en er moet rente over worden betaald.

*